Filters Filter Created with sketchtool.
  • Kankersoort
  • Stadium
  • Behandelsoort
  • Zorgfase
  • Pathologie
  • Epidemiologie
  • Onderzoeksdomein
  • Patiëntgroep

Zoekresultaten

Mannen met een melanoom hebben slechtere prognose dan vrouwen Mannen met een melanoom hebben andere klinisch-pathologische eigenschappen dan vrouwen. Ook zijn mannen vaak ouder bij het stellen van de diagnose en hebben zij vaker zwerende melanomen en/of melanomen op de romp of hoofd/hals. De prognose van mannen met een melanoom is vaak slechter en is bovendien de afgelopen jaren verder gedaald, zo blijkt uit onderzoek van Mary-Ann el Sharouni (UMCU) en collega’s. Waarschijnlijk spelen sociaaleconomische factoren hierbij een rol. De onderzoekers roepen zowel artsen als personen met een verhoogd risico op zich meer bewust te zijn van de kans op het krijgen van een melanoom en voorzorgsmaatregelen te nemen. Ziektevrij interval en prognose bij locoregionaal recidief borstkanker Het ziektevrij interval, voorafgaand aan een locoregionaal recidief van borstkanker, is een onafhankelijke, prognostische factor voor het voorspellen van de overlevingskansen. Naarmate het ziektevrije interval langer is op het moment dat een locoregionaal recidief wordt vastgesteld, des te beter de prognose van deze patiënten. Die conclusie trekken Annemieke Witteveen (MIRA Institute, Universiteit Twente) en collega’s op basis van een landelijke studie met data van de Nederlandse Kankerregistratie, waarin de gegevens van ruim 37.000 vrouwen met borstkanker zijn meegenomen. Semiautomatische validatie van predictiemodellen goed en snel alternatief Semiautomatische validatie van predictiemodellen met Evidencio, het eerste open platform voor online medische predictiemodellen ter wereld, is een goed alternatief voor handmatige validatie. Dat concluderen Cornelia van Steenbeek (IKNL, Universiteit Twente) en collega’s in een publicatie in BMC Medical Research Methodology. Een van de voordelen het Evidencio-model is dat hiermee het aantal gevalideerde predictiemodellen in de klinische praktijk sneller en gebruiksvriendelijker kan worden uitgebreid. Een ander pluspunt is dat er geen identificeerbare data nodig zijn, waardoor de privacy van patiënten maximaal is geborgd. Geen prognostische waarde familiegeschiedenis bij blaaskanker Inzicht in het vóórkomen van blaaskanker onder eerstegraads familieleden helpt niet bij het ​​voorspellen van het risico op een recidief of progressie van niet-spierinvasieve blaaskanker. Die conclusie staat te lezen in een publicatie van Lieke Egbers en collega's in International Journal of Cancer. Een positieve familiegeschiedenis voor blaaskanker was statistisch significant geassocieerd met een kleinere tumorgrootte, maar niet significant ten aanzien van een gunstiger profiel van andere tumorkenmerken. Slechtere prognose van baarmoederkanker met discordante risicostratificatie Patiënten met baarmoederkanker met een hoog pre- en een laag postoperatief risico hebben een minder gunstige prognose in vergelijking met patiënten met een concordant laag risico. Dat zijn de belangrijkste bevindingen van een studie uitgevoerd door Florine Eggink (UMC Groningen) en collega’s naar overeenkomsten en verschillen tussen pre- en postoperatieve risicostratificaties. Volgens de onderzoekers onderstreept deze studie de onafhankelijke prognostische waarde van preoperatief, pathologisch onderzoek, waarvan de uitkomsten meegewogen dienen te worden in de klinische besluitvorming. Roken heeft geen invloed op prognose niet-spierinvasief blaaskanker De rookgeschiedenis van patiënten is niet bruikbaar als leidraad voor klinische beslissingen bij de behandeling van niet-spierinvasieve blaaskanker. Dat concluderen Anne Grotenhuis en collega's op basis van onderzoek naar de invloed van enerzijds het rookgedrag, de intensiteit van het roken en het stoppen met roken op enig moment voor de diagnose en anderzijds het risico van een recidief en progressie van de ziekte. Deze uitkomst betekent niet dat adviezen om te stoppen met roken achterwege kunnen blijven, gelet op de ongunstige effecten van roken op onder meer hart- en vaatziekten en tweede primaire tumoren. Roken heeft geen invloed op prognose niet-spierinvasief blaaskanker De rookgeschiedenis van patiënten is niet bruikbaar als leidraad voor klinische beslissingen bij de behandeling van niet-spierinvasieve blaaskanker. Dat concluderen Anne Grotenhuis en collega's op basis van onderzoek naar de invloed van enerzijds het rookgedrag, de intensiteit van het roken en het stoppen met roken op enig moment voor de diagnose en anderzijds het risico van een recidief en progressie van de ziekte. Deze uitkomst betekent niet dat adviezen om te stoppen met roken achterwege kunnen blijven, gelet op de ongunstige effecten van roken op onder meer hart- en vaatziekten en tweede primaire tumoren.  Minimale toename overleving patiënten met gemetastaseerd wekedelensarcoom Ondanks de introductie van nieuwe behandelopties is er tussen 1989 – 2014 geen significante verbetering opgetreden in de algehele overleving van patiënten met wekedelensarcoom met synchrone metastasen. Die conclusie staat te lezen in een publicatie van Melissa Vos (Erasmus MC) en collega’s in The Oncologist. Ook nieuwe geneesmiddelen zoals trabectedin (2007) en pazopanib (2012) hebben tijdens de onderzoeksperiode slechts geleid tot een minimale en niet-significante verbetering van de algehele overleving, hoe waardevol deze ook kan zijn voor individuele patiënten. Opmerkelijk is dat patiënten die een combinatie van chirurgie en radiotherapie kregen de meest gunstige mediane algehele overleving hadden van 19,9 maanden. Betere overleving gemetastaseerde dikkedarmkanker; prognose diverser De laatste twee decennia worden bij patiënten met primair gemetastaseerde dikkedarmkanker steeds vaker longmetastasen gedetecteerd. Een toenemend aandeel patiënten kreeg in deze periode systemische therapie en/of onderging een metastasectomie. Mede daardoor is de overleving van deze patiënten aanzienlijk verbeterd. De keerzijde is echter dat de prognose aan deze patiënten diverser is geworden. Dat blijkt uit een studie van Lydia van der Geest en collega’s in het wetenschappelijk blad Clinical & Experimental Metastasis. Geen prognostische waarde familiegeschiedenis bij blaaskanker Inzicht in het vóórkomen van blaaskanker onder eerstegraads familieleden helpt niet bij het voorspellen van het risico op een recidief of progressie van niet-spierinvasieve blaaskanker. Die conclusie staat te lezen in een publicatie van Lieke Egbers en collega’s in International Journal of Cancer. Een positieve familiegeschiedenis voor blaaskanker was statistisch significant geassocieerd met een kleinere tumorgrootte, maar niet significant ten aanzien van een gunstiger profiel van andere tumorkenmerken. Eerstegraads familieleden van patiënten met blaaskanker lopen een twee keer zo hoog risico op het krijgen van blaaskanker. De invloed van een positieve familiegeschiedenis voor blaaskanker op de prognose is onbekend. In deze studie onderzochten Lieke Egbers en collega’s de relatie tussen een familiegeschiedenis van blaaskanker in de eerste graad, de klinisch-pathologische kenmerken en prognose van patiënten met blaaskanker.  Betrouwbare prognose bij gevorderde dikkedarmkanker met QLQ-C30 Het beoordelen van het fysiek functioneren van patiënten met gevorderde dikkedarmkanker met behulp van een door henzelf ingevulde QLQ-C30-vragenlijst levert een betrouwbare, prognostische waarde op. De uitkomsten van deze vragenlijst zijn zelfs superieur aan de WHO-performance status die door artsen wordt afgenomen. Dat concluderen Linda Mol (IKNL) en collega’s van Radboudumc, UMCU en AMC in de European Journal of Cancer. De onderzoekers adviseren om de QLQ-C30-vragenlijst voortaan als stratificatieinstrument te gebruiken bij het selecteren van patiënten voor eventuele deelname aan klinische trials in plaats van de WHO-performance status.  Het voorspellen van de langetermijngevolgen met een nomogram IKNL en Nivel hebben een online nomogram ontwikkeld om de langetermijngevolgen van de behandeling van borstkanker te voorspellen. Door leeftijd, stadium en ontvangen behandeling in het nomogram in te vullen krijgt een vrouw een gepersonaliseerd risicoprofiel. De uitkomst kan ze met haar arts bespreken en biedt aanknopingspunten om de nazorg voor borstkanker op maat inrichten. Betere prognose bij behandeling peritoneale metastasen dunnedarmkanker Dunnedarmadenocarcinoom is een zeldzame vorm van kanker. Patiënten met deze maligniteit krijgen vaak te maken met synchrone peritoneale metastasen. Uit onderzoek van Laura Legué (Catharina Ziekenhuis, IKNL) en collega’s blijkt dat behandeling van uitzaaiingen in het buikvlies kan bijdragen aan een toename van de overleving bij geselecteerde patiënten. Met name behandeling met cytoreductieve chirurgie in combinatie met hyperthermische intraperitoneale chemotherapie (CRS+HIPEC) leidde bij een zeer kleine groep patiënten tot een mediane overleving van 32 maanden. De onderzoekers verwachten dat een multidisciplinaire benadering en betere selectie van patiënten die baat kunnen hebben bij behandeling, waaronder CRS+HIPEC, een bijdragen kan leveren aan een betere prognose.  Prognostiek Predictiemodel kan bijdrage leveren aan verzekerbaarheid (ex-)patiënten Overlevenden van borstkanker ondervinden na de behandeling vaak problemen met het afsluiten van een levensverzekering. Hogere premies en afwijzingen zijn gebruikelijk. Onderzoekers van IKNL hebben in samenwerking met het Verbond van Verzekeraars en Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties (NFK) een predictiemodel ontwikkeld dat het extra sterfterisico inschat van (ex-)patiënten met borstkanker, rekening houdend met het aantal jaren dat zij hebben overleefd. Het model wordt een jaar ingezet, waarna de resultaten meegenomen worden in discussies tussen NFK en het Verbond van Verzekeraars. De verwachting is dat het model bijdraagt aan betere verzekerbaarheid van (ex-)patiënten. Significant hogere sterfte bij mannen bij kankergerelateerde vermoeidheid Kankergerelateerde vermoeidheid hangt bij mannelijke overlevenden van kanker significant samen met sterfte door alle oorzaken. Deze bevinding lijkt in het bijzonder te gelden voor mannen die behandeld zijn voor dikkedarmkanker en die daarnaast ook een cardiovasculaire aandoening hebben. Dat concluderen Salome Adam (IKNL, University of Zurich) en collega’s met gegevens van vier verschillende Profiel-studies. Volgens de onderzoekers suggereren deze bevindingen dat zorgprofessionals meer aandacht zouden moeten besteden aan het (h)erkennen en behandelen van kankergerelateerde vermoeidheid. Ook adviseren zij deze patiënten te screenen op vermoeidheid en passende interventies aan te bieden.    Resultaat behandeling synoviaal sarcoom daalt met stijgende leeftijd Het resultaat van behandeling van synoviaal sarcoom neemt af naarmate de leeftijd van deze patiënten hoger is. Deze bevinding staat los van de locatie van de primaire tumor, de tumorgrootte en de aangeboden behandeling. Dat blijkt uit een landelijke, retrospectieve studie uitgevoerd door specialisten en onderzoekers van Radboudumc, Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis en IKNL. Volgens de onderzoekers is het belangrijk om de rol van leeftijd en en biologische tumoreigenschappen verder te onderzoeken in toekomstige, klinische studies.  Subtype sterke prognostische factor bij stadium III inflammatoire borstkanker Bij patiënten met stadium III inflammatoire borstkanker zijn subtypes op basis van hormoonreceptoren HR en HER2 een belangrijke prognostische factor voor de respons op neoadjuvante chemotherapie en algehele overleving. Dat concluderen Dominique van Uden (Canisius Wilhelmina Ziekenhuis) en collega’s in een studie met data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Na neoadjuvante chemotherapie hadden patiënten met het subtype HR+/HER2- de laagste kans op het verkrijgen van complete pathologische respons. Patiënten met het HR-/HER2- (triple negatief) subtype vertoonden de laagste algehele overleving, ook na een complete pathologische respons. Deze uitkomsten zijn zeer relevant voor de dagelijkse klinische praktijk. Patiënt met meervoudig melanoom heeft slechtere overlevingskans De incidentie van melanoom is de afgelopen 20 jaar in Nederland fors toegenomen. In dezelfde periode zijn de overlevingskansen van patiënten met deze ziekte significant verbeterd met als gevolg dat er steeds meer overlevenden zijn met een verhoogd risico op het krijgen van een nieuw melanoom. Uit population-based onderzoek van Luba Pardo (Erasmus MC) en collega’s blijkt dat patiënten met twee of meer melanomen een hoger overlijdensrisico hebben vergeleken met patiënten met één melanoom, onafhankelijk van de Breslow-dikte, histopathologisch subtype en de aanwezigheid van nodulaire en afstandsmetastases. Volgens de onderzoekers is hoogwaardige informatie nodig voor patiënten over het uitvoeren van zelfonderzoek en risico's van latere melanomen. Incidentie, resultaten en prognose van 25 jaar behandeling chondrosarcomen De incidentie van het chondrosarcoom is tussen 1989 en 2013 toegenomen van 2,9 naar 8,8 per één miljoen inwoners. Dat blijkt uit onderzoek van Veroniek van Praag (LUMC) en collega’s met gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie. Er is vooral een toename in laaggradige tumoren, mogelijk door de introductie van nieuwe, beeldvormende technieken en vergrijzing van de bevolking. Synchroon met de gestegen incidentie nam het aantal curettages toe, maar het veronderstelde preventieve effect van deze behandeling op het aandeel hooggradige tumoren bleef achterwege. Aanvullend onderzoek blijft nodig naar de bijwerkingen en potentiële voordelen van curettages. Diagnose prostaatkanker heeft geen effect op overleving blaaskankerpatiënten Ongeveer één op de vier mannen met blaaskanker die een cystoprostatectomie krijgt, wordt na pathologisch onderzoek van de prostaat gediagnosticeerd met prostaatkanker. Deze “toevallige” ontdekking heeft geen effect op de algehele overleving van blaaskankerpatiënten, zo blijkt uit onderzoek van Bo van Santvoort (IKNL) en collega’s met gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Deze bevindingen suggereren dat het klinisch beleid van blaaskankerpatiënten met of zonder prostaatkanker niet zal verschillen en dat de prostaat daarom mogelijk niet meer uitgebreid onderzocht hoeft te worden na radicale cystoprostatectomie. Minder uitgebreid onderzoek van de prostaat kan bijdragen aan hogere efficiëntie en besparing op de zorgkosten. Verschillen in relatieve overleving lopen op tussen jong & oud met NSCLC Patiënten met niet-kleincellige longkanker (NSCLC) kregen tussen 1990 en 2014 vaker een behandeling met curatieve intentie. Dit heeft tevens bijgedragen aan verbetering van de relatieve overleving. Deze ontwikkeling was minder duidelijk zichtbaar bij patiënten van 70 jaar en ouder, zo blijkt uit onderzoek van Lizzy Driessen (VieCuri Medisch Centrum, Venlo) en collega’s. De verschillen tussen de leeftijdsgroepen (tot 70 jaar versus 70 jaar en ouder) leken in de loop der tijd kleiner te zijn geworden bij stadium I, maar bleven onveranderd voor patiënten met stadium II. Bij stadium III en IV liepen de uitkomsten verder uiteen, vooral ten nadele van ouderen. Andere behandeling leidt niet tot betere overleving gevorderde maagkanker Hoewel het aandeel palliatieve resecties bij patiënten met gevorderde of uitgezaaide maagkanker tussen 1989 en 2013 is gedaald en in dezelfde periode het percentage systemische behandelingen sterk is toegenomen, heeft dat niet geleid tot stijging van de overleving bij jonge (tot 70 jaar) en oudere patiënten (70 jaar en ouder). Dat blijkt uit onderzoek van Stijn Nelen (Radboudumc) en collega’s met data van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De veranderingen in palliatieve behandelingen hangen mogelijk samen met verbeterde diagnostiek en preoperatieve stadiering en beschikbaarheid van nieuwe systemische therapieën. De onderzoekers pleiten voor een vervolgstudie naar de effecten van palliatieve gastrectomie versus palliatieve chemotherapie.  Redelijk goede ramingen prognosetools bij borstkankerpatiënt tot 50 jaar​ Prognostische instrumenten als PREDICT en Adjuvant! geven over het algemeen redelijk goede ramingen voor de algehele 10-jaarssterfte bij patiënten met borstkanker tot 50 jaar. Bij een aantal subgroepen vertonen beide instrumenten echter onder- en overschattingen, zo blijkt uit onderzoek van Ellen G. Engelhardt (LUMC) en een groep collega’s uit binnen- en buitenland. Volgens de onderzoekers dienen prognostische instrumenten voorzichtig gehanteerd te worden, omdat schijnbaar geringe variaties aanzienlijke invloed kunnen hebben op de besluitvorming rond een medische behandeling. Proefschrift: klinische predictiemodellen en okselklierstatus bij borstkanker Klinische predictiemodellen kunnen behulpzaam zijn bij het opstellen van een gepersonaliseerd behandelplan voor de oksel bij patiënten met borstkanker. Dat blijkt uit het proefschrift ‘Clinical prediction models and the changing role of axillary treatment in breast cancer’ waarop Ingrid van den Hoven donderdag 2 juni promoveert aan Maastricht University. Hierin beschrijft de promovenda de veranderingen die de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden in de okselbehandeling bij borstkankerpatiënten en evalueert zij de rol en waarde van diverse predictiemodellen. Slechte prognose alvleesklierkanker: niet-behandelen vaak eigen besluit patiënt Bij een meerderheid van de patiënten met alvleesklierkanker werd tussen 1 januari 2014 en 30 juni 2015 afgezien van tumorgerichte behandeling. Doorgaans hadden deze patiënten een zeer slechte mediane overleving. Bij de meeste patiënten was ‘eigen keuze’ de belangrijkste reden om af te zien van een tumorgerichte behandeling. Dit suggereert volgens Myrte Zijlstra (IKNL, Radboudumc) en collega’s dat patiënten nauw betrokken waren bij de besluitvorming. De studie bevat aanknopingspunten voor toekomstig onderzoek om de kwaliteit van leven van patiënten met alvleesklierkanker verder te verbeteren. De onderzoekers signaleren dat patiëntgerapporteerde uitkomstmaten (PROM's) steeds belangrijker worden bij het bepalen van wat ‘passende, oncologische zorg’ is.  PREDICT voorspelt goed bij meeste patiënten met borstkanker in Nederland Het PREDICT-model (versie 2.0) geeft een betrouwbare prognose van de algehele 5- en 10-jaarsoverleving bij de meeste patiënten met borstkanker in Nederland. De prognose van de algehele 5- en 10-jaarsoverleving bij patiënten met een negatieve oestrogeenreceptor vergt echter wel een zorgvuldige interpretatie. Dat concluderen  Marissa van Maaren (IKNL, Universiteit Twente) en collega’s uit Nederland, Verenigd Koninkrijk en Frankrijk in de European Journal of Cancer. Ook ten aanzien van de algehele 10-jaarsoverleving bij patiënten van 75 jaar en ouder, patiënten met T3-tumoren en patiënten bij wie endocriene therapie en chemotherapie wordt overwogen is omzichtige interpretatie wenselijk. Vrouwen met blaaskanker: slechtere overleving in eerste twee jaar na diagnose Vrouwen met blaaskanker hebben, vergeleken met mannen, in de eerste twee jaar na diagnose een slechtere overleving. In de jaren daarna is de overleving van mannen en vrouwen met blaaskanker vrijwel gelijk. Dat blijkt uit onderzoek van Anke Richters (IKNL) en collega’s met gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Deze bevinding kan belangrijke gevolgen hebben voor de klinische praktijk; in de toekomst zou een meer invasieve behandeling en neo-adjuvante therapie overwogen kunnen worden bij vrouwen met blaaskanker. Borstsparende therapie vergelijkbaar met mastectomie bij vroege borstkanker Borstsparende chirurgie met radiotherapie heeft een vergelijkbare overleving als mastectomie bij vrouwen met een vroeg stadium van borstkanker. Dat concluderen Marissa van Maaren (IKNL) en collega’s in een publicatie in The Lancet Oncology op basis van een studie naar de algehele 10-jaarsoverleving en borstkankerspecifieke overleving van patiënten na een borstsparende operatie met radiotherapie vergeleken met een mastectomie KRAS-variant rs61764370 geen voorspeller eierstok- of borstkanker Er is geen relatie tussen de KRAS-variant rs61764370 en het risico op het krijgen van eierstok- of borstkanker. Ook is er geen verband gevonden tussen deze variant en de overleving van deze patiënten. Dat concluderen Antoinette Hollestelle (Erasmus MC) en collega’s aan de hand van een uitgebreid onderzoek. Hoewel genetische testpanels veelbelovend zijn voor de ontwikkeling van geïndividualiseerde geneeskunde, draagt genotypering van deze KRAS-variant niet bij aan het voorspellen van het risico of klinisch verloop van beide tumorsoorten. Oudere (90+) met basaalcelcarcinoom heeft vergelijkbare levensverwachting Oudere patiënten (90+) met een histologisch bevestigd basaalcelcarcinoom en een beperkte levensverwachting hebben een vergelijkbare levensverwachting als mensen met dezelfde leeftijd uit de algemene bevolking. Dat blijkt uit een studie van dermatoloog Rick Waalboer-Spuij (Elisabeth-Twee Steden Ziekenhuis, Erasmus MC) en collega’s uitgevoerd met data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Hoewel de onderzoekers hadden verwacht dat Nederlandse artsen een beperkte levensverwachting mee zouden wegen in hun besluitvorming, zagen ze geen significant verschillen. Extra onderzoek kan uitwijzen of dit niet ook leidt tot onnodige behandeling van ouderen. SOURCE: Predictiemodel voor uitgezaaide slokdarm- en maagkanker Een internationale groep experts, onder wie artsen en onderzoekers van Amsterdam UMC, UMC Utrecht hebben een predictiemodel ontwikkeld waarmee de prognose van patiënten met uitgezaaide slokdarm- en maagkanker kan worden ingeschat. Het model heeft de naam SOURCE en is ontwikkeld met gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). SOURCE biedt gepersonaliseerd inzicht in de prognose van patiënten en kan bijdragen aan het bevorderen van gedeelde besluitvorming tussen behandeld arts en patiënt. Tumorlokalisatie heeft prognostische waarde bij dikkedarmkanker Patiënten met linkszijdige dikkedarmkanker in een gemetastaseerde setting hebben een gunstigere absolute overleving dan patiënten met rechtszijdige dikkedarmkanker. In een niet-gemetastaseerde setting is de absolute overleving echter voor beide patiëntengroepen gelijk. Daarnaast hebben patiënten met linkszijdige dikkedarmkanker een ongunstigere recidiefvrije overleving in een niet-gemetastaseerde setting. Dat blijkt uit een studie van Felice van Erning en andere onderzoekers van IKNL gepubliceerd in de Journal of the National Cancer Institute. Kans op nieuwe tumor bij folliculair lymfoom en multipel myeloom Patiënten met folliculair lymfoom hebben een verhoogde kans op het ontwikkelen van long- en plaveiselceltumoren als zij kanker in de voorgeschiedenis hebben. Dit blijkt uit een studie met data van de Nederlandse Kankerregistratie. Uit een tweede studie blijkt dat patiënten met multipel myeloom geen verhoogde kans hebben op een nieuwe tumor als zij kanker in de voorgeschiedenis hebben. Eerder onderzoek uit Zweden bij patiënten met multipel myeloom liet dit verband wel zien. De bevindingen van de Nederlandse studies zijn als aparte onderzoeken gepresenteerd op het 24e congres van de ‘European Hematology Association’ (EHA) in Amsterdam. Na chemo 75+ slechtere overleving dan 75- bij uitgezaaide pancreaskanker Patiënten van 75 jaar en ouder met uitgezaaide alvleesklierkanker die tussen 2005 en 2013 zijn behandeld met chemotherapie hadden, ondanks de beperkte inzet van chemotherapie op deze leeftijd, een slechtere overleving vergeleken met jongere patiënten die met chemotherapie zijn behandeld. Dat blijkt uit onderzoek van Lydia van der Geest (IKNL) en collega’s met behulp van data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De onderzoekers stellen dat het noodzakelijk is betere definities op te stellen voor geriatrische kenmerken en bijkomende ziekten, zodat de (in)tolerantie van chemotherapie nauwkeuriger kan worden voorspeld. Ook zijn er chemotherapieregimes nodig die beter door oudere patiënten worden verdragen.  Moleculaire subtypes van LCNEC voorspellen uitkomsten chemotherapie Patiënten met grootcellig neuro-endocrien longcarcinoom (LCNEC) met een wildtype RB1-gen of RB1-eiwitexpressie reageren beter op chemotherapie volgens het regime GEM/TAX dan patiënten behandeld met PE- chemotherapie. Die conclusie trekken Jules Derks (Maastricht UMC) en collega’s op basis van een onderzoek met gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie en de databank van PALGA. Volgens de onderzoekers kan deze kennis bijdragen aan betere behandeling van patiënten met gevorderd stadium van LCNEC. Ze adviseren echter deze uitkomsten eerst te bevestigen in een gerandomiseerde, klinische studie. Verbeterde overleving primair centraal zenuwstelsel lymfoom tot 70 jaar De incidentie van primair centraal zenuwstelsel lymfoom (PCNSL) stijgt in Nederland onder patiënten in de leeftijdsgroep van 60 jaar en ouder. Dat blijkt uit een publicatie van Matthijs van der Meulen (Erasmus MC) en een team onderzoekers van IKNL en Erasmus MC in Nature Leukemia. Het onderzoek toont tevens aan dat de relatieve overleving van PCNSL-patiënten in de leeftijd tot 70 jaar de laatste decennia (1989-2015) is toegenomen. Dit wordt grotendeels verklaard door het toegenomen gebruik van intensieve chemotherapie en afname van behandeling met uitsluitend radiotherapie. De overlevingskansen van oudere patiënten (boven 70 jaar) bleven slecht. Patiënten met HC-leukemie hebben uitzicht op normale levensverwachting Een overgrote meerderheid van de patiënten met hairy-cell-leukemie in Nederland heeft uitzicht op een normale levensverwachting. Deze positieve boodschap staat te lezen in een studie uitgevoerd door Avinash Dinmohamed (IKNL, Erasmus MC) en collega’s met behulp van data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Een nieuwe, bemoedigende bevinding is dat de bovengrens voor de relatieve overleving al twee jaar na diagnose werd bereikt bij patiënten tot 70 jaar gediagnosticeerd vanaf 2001. Dit succes is het gevolg van introductie van PNA-therapieën en vooruitgang in ondersteunende maatregelen. Hairy-cell-leukemie is een zeldzame vorm van beenmergkanker, waarbij een afwijking optreedt in de B-lymfocyten.  Vroeg stadium tumor bij diagnose van vitaal belang overleving borstkanker Een vroeg stadium van borstkanker op het moment van diagnose blijft, ondanks de beschikbaarheid van effectieve aanvullende hormonale-, chemo- en antiher2neu-therapieën, van vitaal belang voor de overleving. Dat blijkt uit een uitgebreide studie die is uitgevoerd door S. Saadatmand en M. Tilanus-Linthorst (Erasmus MC) en R. Bretveld en S. Siesling van IKNL en Universiteit Twente met behulp van gegevens van bijna 174.000 patiënten die tussen 1999 en 2012 werden gediagnosticeerd en behandeld. Het onderzoek toont verder aan dat de relatieve 5-jaarsoverleving van vrouwen met borstkanker tussen 2006-2012 steeg tot 96 procent en verbeterde voor alle tumor- en lymfeklierstadia ten opzichte van 1999-2005. Overleving ouderen (85 jaar en ouder) na colorectale chirurgie beïnvloedbaar Onder zeer oude patiënten (85 jaar en ouder) met colorectale kanker blijft het sterftecijfer hoog in het eerste jaar na de behandeling. Dat concluderen Amanda Bos (IKNL) en collega’s in een studie met gegevens van ruim 52.000 patiënten uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) die tussen 2008 en 2013 zijn geopereerd. Hoewel de leeftijdsgebonden overlevingsverschillen verdwenen na correctie voor sterfte door andere oorzaken, zagen de onderzoekers gunstige trends in de tijd ten aanzien van de 1-jaarsmortaliteit na colorectale chirurgie. Deze bevinding onderstreept dat de overleving van ouderen na een ingrijpende operatie beïnvloedbaar is. Validatie predictiemodellen voor lymfeklierenuitzaaiingen bij prostaatkanker Het Briganti-nomogram (2012) en het predictiemodel van het Memorial Sloan Kettering Cancer Center (MSKCC) zijn op dit moment de meest betrouwbare modellen om uitzaaiingen naar de lymfeklieren in de bekkenbodem te voorspellen bij patiënten met prostaatkanker. Dat blijkt uit een studie van Tom A. Hueting (Universiteit Twente) en collega’s gepubliceerd in het tijdschrift European Urology Oncology. De onderzoekers wijzen er op dat de geadviseerde drempelwaarden veelal gebaseerd zijn op zogenaamde ‘expert opinions’ zonder duidelijk onderliggend bewijs van de impact van de diverse drempelwaarden. Daarom is op basis van deze studie aanvullend onderzoek gestart naar de optimale risicodrempel voor uitgebreide lymfeklierdissectie in de bekkenbodem. Overleving oudere patiënten (65-75 jaar) met gevorderde borstkanker verbeterd De overleving van oudere vrouwen (65-75 jaar) met gevorderde borstkanker is tussen 1990 en 2015 verbeterd. Dit is zeer waarschijnlijk het gevolg van ruimere inzet van chemotherapieën bij patiënten met stadium III borstkanker. Dat concluderen Nienke de Glas (LUMC) en collega’s op basis van een studie met gegevens van bijna 240.000 patiënten uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Uit dit onderzoek blijkt echter ook dat de overleving van vrouwen (boven 75 jaar) met stadium I-III borstkanker níet is toegenomen. In toekomstige studies dient daarom meer rekening gehouden te worden met comorbiditeit(en) en geriatrische parameters, om de behandeling van deze oudste groep verder te personaliseren. PREDICT voorspelt goed bij meeste patiënten met borstkanker in Nederland Het PREDICT-model (versie 2.0) geeft een betrouwbare prognose van de algehele 5- en 10-jaarsoverleving bij de meeste patiënten met borstkanker in Nederland. De prognose van de algehele 5- en 10-jaarsoverleving bij patiënten met een negatieve oestrogeenreceptor vergt echter wel een zorgvuldige interpretatie. Dat concluderen  Marissa van Maaren (IKNL, Universiteit Twente) en collega’s uit Nederland, Verenigd Koninkrijk en Frankrijk in de European Journal of Cancer. Ook ten aanzien van de algehele 10-jaarsoverleving bij patiënten van 75 jaar en ouder, patiënten met T3-tumoren en patiënten bij wie endocriene therapie en chemotherapie wordt overwogen is omzichtige interpretatie wenselijk. Geen overtuigend bewijs voor betere overleving borstkanker met propranolol Er is geen overtuigend bewijs dat het gebruik van propranolol of andere niet-selectieve bètablokkers leidt tot betere overlevingskansen voor patiënten met borstkanker. Die conclusie trekt een internationale groep onderzoekers uit België, Denemarken, Nederland, Engeland, Ierland, Noord-Ierland, Schotland en Zweden aan de hand van data van ruim 133.000 patiënten. Namens Nederland waren Pauline Vissers (IKNL) en Myrthe van Herk-Sukel (PHARMO) betrokken bij dit onderzoek. Het gaat om de grootste studie ooit uitgevoerd naar het gebruik en effect van propranolol bij de behandeling van patiënten met borstkanker.    PELICAN-trial: RFA bij lokaal irresectabel pancreascarcinoom Patiënten met pancreascarcinoom hebben een slechte prognose. Per jaar komen er in Nederland circa 2.300 nieuwe patiënten bij met deze ziekte, van wie circa 900 met een lokaal irresectabele tumor. Deze patiënten hebben geen afstandsmetastasen, maar wel een te uitgebreide vaatbetrokkenheid voor resectie. In de PELICAN-studie, een initiatief van de multidisciplinaire werkgroep Dutch Pancreatic Cancer Group (www.dpcg.nl), wordt gerandomiseerd onderzoek gedaan in meerdere centra naar radiofrequente ablatie als nieuwe behandeling voor lokaal irresectabel pancreascarcinoom. Doel is een betere behandeling en overleving van pancreascarcinoom. Toename overleving met rituximab bij oude patiënten (80-84 jaar) met DLBCL Chemotherapie met rituximab heeft tussen 2008-2015 geleid tot een significante verbetering van de relatieve overleving van patiënten in de leeftijd 80-84 jaar met diffuus grootcellig B-cel-lymfoom (DLBCL). Bij patiënten van 85 jaar en ouder is deze verbetering niet waargenomen, waarschijnlijk doordat in deze leeftijdsgroep minder of géén rituximab-bevattende chemotherapie werd gegeven. Dat concluderen Avinash Dinmohamed (IKNL en Erasmus MC) en collega’s op basis van een studie met data van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De onderzoekers noemen de uitkomsten ‘onbevredigend’ en pleiten voor aanvullend onderzoek naar de klinische en biologische kenmerken van deze oudere leeftijdscategorie.  Wachttijd in ziekenhuis heeft geen invloed op overleving slokdarmkanker De wachttijd vanaf de diagnose tot aan de behandeling heeft geen invloed op de langetermijnuitkomsten bij patiënten met slokdarmkanker die een in opzet curatieve behandeling krijgen bestaande uit neo-adjuvante therapie gevolgd door chirurgie of uitsluitend primaire chirurgie. Dat concluderen Els Visser (UMCU) en collega’s in een publicatie in Surgical Oncology. Deze bevinding slaat alleen op de wachttijd ín het ziekenhuis en niet op de totale wachttijd die aanvangt bij de eerste symptomen, bezoek aan de huisarts en vervolgens afspraak voor een endoscopie in het ziekenhuis. Deze totale wachttijd kan nog steeds invloed hebben op de langetermijnresultaten bij de behandeling van patiënten met slokdarmkanker.  Studie naar echografie en lymfeklierbiopsie bij invasieve borstkanker Patiënten met borstkanker bij wie positieve okselklieren zijn gevonden na een echografie, hebben ongunstigere ziektekenmerken en een slechtere prognose dan patiënten bij wie positieve okselklieren worden aangetroffen na een schildwachtklierprocedure. Het achterwege laten van lymfeklierdissectie dient daarom volgens Nicole C. Verheuvel (Máxima Medisch Centrum) en collega’s vooralsnog alleen toegepast te worden bij patiënten met een positieve schildwachtklierprocedure. Kansen op overleving kanker afgelopen 50 jaar fors toegenomen De kansen op overleving van kanker zijn de afgelopen 50 jaar fors toegenomen. Dat blijkt uit nieuwe overlevingscijfers die Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL), publiceerde over de periode 1961-2015, op basis van data uit de Nederlandse Kankerregistratie. Naast verschillen tussen allerlei kankersoorten tonen de historische overlevingstrends ook de invloed van diverse stadia van kanker, leeftijdsgroepen en het geslacht van patiënten. Hoewel de overleving van kanker in de tijd sterk is verbeterd, geldt dit helaas nog niet voor alle vormen van kanker. IKNL zet zich daarom in samenwerking met zorgverleners in om het perspectief van patiënten met kanker te verbeteren.  Maatwerk nodig bij aanbieden zorgplan op basis informatiebehoeften patiënt Het aanbieden van een (na)zorgplan lijkt een gunstig effect te hebben op patiënten met een gynaecologische kanker met een informatiezoekende instelling die gedetailleerde informatie over hun ziekte wensen te ontvangen. Bij patiënten die medische informatie bij voorkeur vermijden, kan een (na)zorgplan zelfs schadelijke effecten veroorzaken. Volgens Belle de Rooij (IKNL) en collega’s is er daarom meer maatwerk nodig bij het aanbieden van (na)zorgplannen. Bijvoorbeeld door de informatie- en zorgbehoeften van patiënten te peilen met een eenvoudige reeks vragen. Aanvullend onderzoek is nodig om te bepalen of dit maatwerk gericht moet zijn op dosering van medische informatie of ook op fysieke en psychologische aspecten.