Filters Filter Created with sketchtool.
  • Kankersoort
  • Stadium
  • Behandelsoort
  • Zorgfase
  • Pathologie
  • Epidemiologie
  • Onderzoeksdomein
  • Patiëntgroep

Zoekresultaten

Variatie in extra dosis bestraling bij borstsparende behandeling in Nederland De variatie in het geven van een extra dosis radiotherapie is bij patiënten met invasieve borstkanker gedaald na herziening van de landelijk richtlijn Mammacarcinoom in 2011. Bij patiënten met niet-invasieve borstkanker (ductaal carcinoom in situ; DCIS) bleef deze variatie wel aanwezig. De waargenomen variatie bij patiënten met DCIS kan volgens Kay Schreuder (IKNL, University of Twente) en collega’s niet volledig worden verklaard op basis van tumor- en patiëntkenmerken en/of kenmerken van behandelcentra. De onderzoekers achten het waarschijnlijk dat persoonlijke voorkeuren binnen de behandelcentra de oorzaak zijn van deze variatie. Gewenste en ongewenste variatie in de zorg voor kankerpatiënten De zorg voor kankerpatiënten varieert per ziekenhuis. In het ene ziekenhuis pakt men het anders aan dan in het andere ziekenhuis. Hierdoor is de geleverde zorg afhankelijk van het ziekenhuis waar iemand terecht komt en dat willen we niet. Tegelijkertijd weten we steeds meer over kanker en willen we met nieuwe technologieën meer zorg op maat bieden. Dat is juist gewenste variatie. Professor dr. Sabine Siesling van de Universiteit Twente (vakgroep Health Technology & Services Research) en senior onderzoeker bij Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) onderzoekt of variatie invloed heeft op de kwaliteit en uitkomsten van de zorg. Op 24 september spreekt Siesling haar oratie uit. Aanzienlijke regionale variatie in uitkomsten chirurgie bij eierstokkanker Er bestaat aanzienlijke regionale variatie in Nederland bij de behandeling van patiënten met gevorderde epitheliale eierstokkanker. Ook zijn er significante verschillen tussen de regio’s in het bereiken van comoplete debulking (afwezigheid van macroscopische restziekte), ongeacht de volgorde van de behandeling. Dat blijkt uit onderzoek van Maite Timmermans (IKNL) en collega’s met data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De waargenomen variatie leidt tot verschillen in de overleving van optimaal behandelde patiënten, hoewel deze variatie niet zichtbaar was in de gehele populatie. In afwachting van de uitkomsten van lopende trials doen de onderzoekers een aantal suggesties ter verbetering van chirurgische behandelingen. Aanzienlijke variatie tussen centra in leverresecties bij colorectale uitzaaiingen Er bestaat aanzienlijke variatie tussen ziekenhuizen in Nederland in het aandeel leverresecties uitgevoerd bij patiënten met synchrone, colorectale levermetastasen. Uit een landelijke population-based studie van Jorine ‘t Lam-Boer (Radboudumc) en collega’s blijkt dat patiënten in algemene ziekenhuizen minder kans hebben op het krijgen van een leverresectie in vergelijking met patiënten die gediagnosticeerd zijn in een medisch centrum gespecialiseerd in leveroperaties of academisch ziekenhuis. Ook vonden zij interregionale verschillen. De onderzoekers adviseren hepatobiliaire chirurgen te betrekken bij de bespreking van patiënten met colorectale levermetastasen in lokale, multidisciplinaire teams.   Variatie rond timing schildwachtklierbiopsies borstkanker in Nederland Patiënten met primaire borstkanker die een schildwachtklierbiopsie krijgen ná neoadjuvante chemotherapie, ondergaan significant minder vaak een okselklierbehandeling, waardoor de kans op complicaties lager is. Wel werd bij het uitvoeren van een schildwachtklierbiopsie ná neoadjuvante chemotherapie in een kleiner aandeel patiënten de schildwachtklier geïdentificeerd. Dat blijkt uit onderzoek van Margriet van der Heiden (IKNL) en collega’s. Zij stelden echter ook vast dat er in de klinische praktijk in Nederland de nodige variatie bestaat rond de timing van schildwachtklierbiopsies. Variatie in opnameduur in Nederlandse ziekenhuizen na longkankerchirurgie Er bestaat in Nederland variatie tussen ziekenhuizen wat betreft opnameduur van patiënten na een longkankeroperatie. Gemiddeld gaat het hierbij om een opname die 1,5 dag korter tot bijna 2,5 dag langer kan zijn. Een korter verblijf hing niet samen met een hogere 30- of 90-dagen mortaliteit. Volgens chirurg Erik von Meyenfeldt (Albert Schweitzer Ziekenhuis) en collega’s is de variatie in opnameduur grotendeels toe te schrijven aan verschillen in peri-operatieve zorg. Deze zorgprotocollen kunnen geoptimaliseerd worden door evaluatie en overname van best practices. De onderzoekers benadrukken dat een korte opname geen doel op zichzelf mag zijn, maar het resultaat is van verbeterde peri-operatieve zorg.  Grote variatie in directe borstreconstructies Nederlandse ziekenhuizen Er bestaat grote variatie tussen ziekenhuizen in Nederland bij het gebruik van directe borstreconstructies na mastectomie, zowel bij patiënten met invasieve borstkanker als bij ductaal carcinoom in situ. Zelfs na correctie voor verschillen in patiënt- en tumorkenmerken blijven deze variaties zichtbaar. Dat blijkt uit een studie van Annelotte van Bommel (LUMC) en collega’s van Erasmus MC, IKNL, Diakonessenhuis Utrecht, NKI-AvL, DBCA, UMC Groningen en UT Twente. De studie omvat data uit alle Nederlandse ziekenhuizen van in totaal 16.953 vrouwen die tussen 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013 een mastectomie kregen. Hoewel de onderzoekers diverse factoren vonden, gaven deze nog geen sluitende verklaring voor de waargenomen variatie. Voor deze studie selecteerden de onderzoekers patiënten die tussen 1 januari 2011 en 31 december 2013 gediagnosticeerd zijn en een borstamputatie kregen vanwege primaire, invasieve borstkanker of ductaal carcinoom in situ. De selectiedata waren afkomstig van de Audit Breast Cancer van het Nationaal Borstkanker Overleg Nederland (NABON).  Significante variatie in behandeling en overleving ouderen met borstkanker EU-5 Er bestaat significante variatie in behandelstrategieën en overleving van oudere vrouwen met borstkanker in Nederland, België, Ierland, Engeland en de regio Groot-Polen. Die conclusie staat te lezen in een publicatie van Marloes Derks (LUMC) en collega’s in de British Journal of Cancer. De onderzoekers constateren onder meer grote variatie in het aanbieden van hormoontherapie bij patiënten met vroege stadia van borstkanker, maar dit heeft niet geleid tot een betere relatieve overleving. Dit wijst op mogelijke overbehandeling. Bij patiënten met gevorderd borstkanker, zagen zij een hogere overleving in landen waar minder vaak chirurgie wordt onthouden. Dit wijst volgens de onderzoekers op mogelijke onderbehandeling.  Grote internationale variatie in resecties bij patiënten met alvleesklierkanker Het aandeel resecties bij patiënten met alvleesklierkanker laat internationaal een grote variatie zien. In Denemarken, de Verenigde Staten, maar vooral in Nederland nam het aandeel resecties toe. In ons land was de toename van het algehele aandeel resecties bij patiënten met alvleesklierkanker het grootst met een stijging van 8% in 2003-2004 naar 18% in 2013-2014. Dat blijkt uit een internationale studie met gegevens van zes Europese population-based kankerregistraties (waaronder de Nederlandse Kankerregistratie; NKR) en de Amerikaanse databank van het ‘Surveillance, Epidemiology and End Results (SEER) Program’ uit de periode 2003-2016. Grote variatie in (neo-)adjuvante chemotherapie bij pancreasadenocarcinoom Binnen het EURECCA-consortium bestaat grote variatie bij de inzet van neoadjuvante en adjuvante chemotherapie bij patiënten met stadium I of II pancreasadenocarcinoom. Dat blijkt uit een studie met data (2012-2013) afkomstig van acht nationale en regionale kankerregistraties en een onderzoekscentrum in Milaan. De uitkomsten wijzen volgens de onderzoekers op verschillen bij de implementatie van algemeen geaccepteerde richtlijnen. De bevindingen in deze studie bieden aanknopingspunten voor nader onderzoek naar ‘best practices’. Het consortium onderstreept tevens het belang van een uniforme en complete registratie om internationale vergelijkingen en de ontwikkeling van internationale richtlijnen mogelijk te maken. Variatie in nazorgbehoeften onder overlevenden van kanker vergt maatwerk Onder Amerikaanse overlevenden van kanker komen veel onvervulde nazorgbehoeften voor. Desondanks geeft een aanzienlijke groep overlevenden aan geen of een lage behoefte te hebben aan (aanvullende) gezondheidszorg na kanker. Dat blijkt uit onderzoek van Belle de Rooij (Tilburg Universiteit, IKNL) en Amerikaanse onderzoekers van Massachusetts General Hospital en Harvard Medical School. Overlevenden met onvervulde nazorgbehoeften kunnen worden verdeeld in voornamelijk fysieke, voornamelijk psychologische of zowel fysieke als psychologische nazorgbehoeften. Deze grote variatie in nazorgbehoeften suggereert volgens de onderzoekers een noodzaak om patiënten te screenen, zodat op maat gemaakte interventies mogelijk zijn.  Significante variatie in aanbieden adjuvante chemotherapie pancreascentra Er bestaat ‘significante variatie’ tussen de 19 pancreascentra in Nederland wat betreft het aanbieden van adjuvante chemotherapie na een Whipple-operatie. Tussen 2008 en 2013 lag het aandeel patiënten met alvleesklierkanker dat adjuvante chemotherapie kreeg aangeboden in deze centra tussen 26% en 74%. Dat blijkt uit een gezamenlijke studie van Catharina Ziekenhuis, AMC, Erasmus MC en IKNL. De onderzoekers stellen tevens vast dat het minder waarschijnlijk is dat oudere patiënten en patiënten met een lager tumorstadium in aanmerking komen voor adjuvante behandeling. Deze onderbenutting verdient meer aandacht, want de meeste patiënten blijven langer leven na adjuvante chemotherapie. Grote variatie in verslaglegging chemotherapie in palliatieve fase Er bestaat grote variatie in de documentatie van overwegingen van artsen om chemotherapie aan te bieden aan patiënten in de palliatieve of laatste levensfase. Die conclusie trekken Hilde Buiting (IKNL, AVL) en collega’s van IKNL, Antoni van Leeuwenhoek, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis en Reinier de Graaf op basis van een studie waarin de medische dossiers van 147 patiënten met long- en alvleesklierkanker is onderzocht. Volgens de onderzoekers geven medische dossiers inzicht in de besluitvorming rondom systemische behandeling in de palliatieve en laatste levensfase, maar is aanvullend onderzoek nodig om na te gaan op welke wijze deze dossiers kunnen bijdragen aan het evalueren van de kwaliteit van het besluitvormingsproces. Variatie in zorg tussen ziekenhuizen: goed of slecht? Variatie in de behandeling van patiënten met borstkanker kan zowel goed als slecht zijn en het onderzoeken van variatie kan de zorg verbeteren. Dit stelt Kelly de Ligt naar aanleiding van haar onderzoek waarop zij vrijdag 13 september promoveerde aan de Universiteit van Twente. Tijdens het symposium voorafgaand aan deze promotie werd duidelijk dat er grote ambities zijn om het perspectief van de patiënt meer te laten meewegen. Aanzienlijke regionale variatie schildwachtklierbiopsieën bij melanoomoperaties De chirurgische behandeling van patiënten met een melanoom (zonder afstandsmetastasen) verschilt aanzienlijk tussen de ziekenhuizen in Nederland. Deze regionale praktijkvariatie kan niet volledig worden verklaard aan de hand van verschillen in patiënt- en tumorkarakteristieken, zo blijkt uit een studie van José Verstijnen (Amphia Ziekenhuis) en collega’s. In de praktijk krijgt de helft van de melanoompatiënten met een Breslow-dikte van 1 mm of meer een schildwachtklierbiopsie, terwijl in landelijke richtlijnen wordt aanbevolen om bij al deze patiënten een schildwachtklierbiopsie te overwegen. Het is niet duidelijk of deze verschillen leiden tot ongewenste variaties in klinische uitkomsten. Dit zou nader onderzocht moeten worden, aldus de onderzoekers. Aandeel borstsparende operaties ’89-’15 sterk gestegen; grote regionale variatie Het aandeel patiënten met borstkanker dat een borstsparende operatie kreeg, is tussen 1989 en 2015 sterk toegenomen in Nederland. Wel bestonden er grote regionale variaties die, hoewel gedaald, nog steeds voortduren. Dat blijkt uit een landelijke studie van Marissa van Maaren (IKNL) en collega’s. De gevonden variatie duidt volgens de onderzoekers op het ontbreken van volledige consensus over de indicaties voor initiële chirurgie en onderstreept de noodzaak van implementatie van een uniforme behandel- en besluitvormingsstrategie. Andere factoren die meespelen zijn persoonlijke ervaringen van chirurgen en -zeker niet als laatste- persoonlijke voorkeuren en psychologische overwegingen van patiënten.  Grote variatie in behandeling van stadium III NSCLC in Nederland en België Er bestaat grote variatie tussen Nederland en België én binnen deze landen als het gaat om de behandeling van patiënten met niet-operabel (stadium III) niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC). Dat blijkt uit een observationele, population-based studie van Iris Walraven (NKI-AvL) en collega’s, waarin de verschillen tussen gelijktijdige en sequentiële chemoradiotherapie zijn onderzocht. De keuze voor sequentiële chemoradiotherapie bij deze patiënten hing significant samen met een hogere leeftijd en een gevorderd stadium van de ziekte. Volgens de onderzoekers is aanvullend onderzoek nodig om tot een betere behandelstrategie te komen voor individuele patiënten met gevorderd stadium van NSCLC.  Rapport ovariumcarcinoom, variatie in behandeling Over de afgelopen jaren is te zien dat patiënten met ovariumcarcinoom steeds vaker volgens de richtlijn zijn behandeld. Dit heeft nog niet geresulteerd in verbetering in 10-jaarsoverleving, er is wel een geleidelijk langere overleving in de eerste jaren na de diagnose. Dat blijkt uit het landelijke rapport over het ovariumcarcinoom. Dit rapport geeft een overzicht van incidentie en behandeling van epitheliale ovariumcarcinoom, de meest voorkomende vorm van ovariumcarcinoom. De toegepaste behandelingen worden weergegeven per ziekenhuisregio en vergeleken met het landelijk gemiddelde.  Aanzienlijke variatie adjuvante chemotherapie stadium II dikkedarmkanker in EU Het aandeel patiënten met stadium II dikkedarmkanker dat adjuvante chemotherapie krijgt, varieert aanzienlijk in Europa. Die conclusie trekken Anne Breugom (LUMC) en collega’s in een publicatie in de European Journal of Cancer op basis van data van bijna 60.000 patiënten uit Nederland, Denemarken, Zweden, Engeland, Ierland, België en Litouwen. De onderzoekers vonden geen duidelijk lineair patroon tussen het gebruik van adjuvante chemotherapie en relatieve overleving. Aanvullend onderzoek is volgens de onderzoekers nodig naar de selectiecriteria van patiënten die in aanmerking komen voor adjuvante chemotherapie. Opmerkelijke variatie in chemotherapie bij uitgezaaide slokdarm-/maagkanker Bij patiënten met uitgezaaide slokdarm- en maagkanker is een opmerkelijke heterogeniteit zichtbaar bij palliatieve eerstelijnsbehandelingen met systemische therapie in Nederland. Dat blijkt uit onderzoek van Willemieke Dijksterhuis (IKNL, Amsterdam UMC) en collega’s. Deze variatie is volgens de onderzoekers ongewenst, vooral als het gaat om ‘onconventionele’ behandelingen met drie verschillende middelen. Die leveren geen extra overlevingswinst op, maar wel meer toxiciteit. Daarom heeft chemotherapie met twee middelen de voorkeur. In toekomstige studies is meer aandacht nodig voor de kwaliteit van leven, prognostiek, selectie van patiënten en verdere personalisatie van behandelingen. Landelijke variatie in het behandeladvies bij MDO longkanker In Nederland krijgen patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom, stadium III of IV, verschillende behandeladviezen, afhankelijk van het MDO waarin hun situatie wordt besproken. Een hoge leeftijd en de fysieke conditie van een patiënt lijken een belangrijke reden te zijn om af te wijken van de landelijke richtlijn. Dat blijkt uit een recente studie van Candiff et al, waarin 3 casussen werden besproken in 8 MDO’s.   Variatie in adjuvante therapie en genexpressieprofielen bij vroege borstkanker Ondanks landelijke richtlijnen over aanvullende behandeling bij borstkanker, blijft er in de klinische praktijk controverse bestaan over het gebruik van adjuvante chemotherapie bij diverse subgroepen patiënten met een vroeg stadium van borstkanker. Verder blijkt dat inzet van genexpressieprofielen bij de helft van de patiënten met een positieve oestrogeenreceptor leidt tot wijziging van de besluitvorming over aanvullende chemotherapie. Deze en andere conclusies staan te lezen in het proefschrift  van Anne Kuijer ‘Interplay Between Gene Expression Profiling and Adjuvant Systemic Therapy Decision-Making in Early Stage Breast Cancer Patients’. De verdediging vindt plaats op 26 oktober 2017 aan de Universiteit Utrecht. Grote variatie tussen ziekenhuizen in aandeel patiënten stadium IV longkanker Het aandeel patiënten met longkanker met afstandsmetastasen verschilt sterk tussen algemene ziekenhuizen in Nederland. Waar in het ene ziekenhuis tot wel 62% van de patiënten wordt gediagnosticeerd met stadium IV longkanker; is dit in een ander ziekenhuis ‘slechts’ 39%. Het stadium van de ziekte is bepalend voor de behandeling en prognose van deze patiënten. Een jaar na diagnose is nog maar 22% van de patiënten met stadium IV longkanker nog in leven en na vijf jaar is dat gedaald naar 3%. Dat blijkt uit cijfers van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR), waarin alle patiënten zijn opgenomen die in ons land zijn gediagnosticeerd met kanker. Variatie en kwaliteit pelviene lymfeklierdissectie bij invasieve blaaskanker In 2010 is gestart met de centralisatie van zorg aangaande het spierinvasieve blaascarcinoom en sindsdien wordt er vrijwel standaard een pelviene lymfeklierdissectie uitgevoerd ten tijde van radicale cystectomie. Voorheen bleek dit niet altijd het geval. Dat blijkt uit een population-based studie door urologen en onderzoekers van het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, Máxima Medisch Centrum en het IKNL. Tevens tonen zij aan dat de stijging van het aantal onderzochte lymfeklieren in de periode 2006-2012 samenhangt met een toename van de incidentie lymfeklierpositieve ziekte. Dit suggereert uitbreiding van klierdissectie templates en derhalve een ruimere naleving van de huidige richtlijnen. Internationale variatie in de toepassing van curatieve radiotherapie bij longkanker De toepassing van curatieve radiotherapie bij longkanker varieert tussen landen. Waar in Engeland een kwart van de patiënten met stadium I niet-kleincellig longkanker (NSCLC) niet actief behandeld werd, was dat 8% in Nederland. Bij stadium IIIA waren de verschillen nog groter. In Nederland werd 45% van de patiënten behandeld met chemoradiotherapie tegen 11% in Engeland. Dat blijkt uit een vergelijking tussen data uit de National Lung Cancer Audit en de Nederlandse Kankerregistratie.   Inconsistenties in richtlijnen leiden tot variatie in behandeling prostaatkanker Variaties in de primaire behandeling van patiënten met prostaatkanker zijn deels toe te schrijven aan uiteenlopende risicostratificaties en inconsistente aanbevelingen in nationale en internationale richtlijnen. Dat concludeert een groep onderzoekers,  urologen en radiotherapeuten uit Nederland en Finland. Ze vonden onder meer verschillen in het beleid ten aanzien van het actief volgen van patiënten en inzet van brachytherapie en externe radiotherapie. Wat betreft radicale prostatectomie en hormonale therapie zijn de (inter)nationale richtlijnen wel grotendeels consistent. Omdat leeftijd en levensverwachting een grote rol spelen bij de behandelkeuze verdienen deze volgens de onderzoekers een prominentere plaats in klinische richtlijnen. Variatie in doodsoorzaken patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom Mensen die overlijden nadat ze niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) hebben gehad, zullen met het verstrijken van de tijd vaker een andere doodsoorzaak dan longkanker hebben, zoals cardiovasculaire ziekte of chronische, obstructieve longziekte (COPD). Longkanker blijft echter ook een belangrijke doodsoorzaak. Volgens Maryska Janssen-Heijnen en collega’s is het daarom van belang dat artsen alert blijven op de zorg voor deze (roken-gerelateerde) ziektes. Direct behandelen versus actief volgbeleid bij zeer-laag-risico prostaatkanker De meeste mannen in Nederland met een zeer-laag-risico prostaatkanker worden, in lijn met actuele richtlijnen, behandeld volgens het principe van ‘active surveillance’. Er is echter wel beperkte variatie in behandelkeuzes tussen ziekenhuizen, zo blijkt uit onderzoek van Hanneke Jansen (IKNL) en collega’s met gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie. Een deel van de waargenomen variatie kan verklaard worden op basis van patiënt- en tumoreigenschappen, maar ook ziekenhuisgerelateerde factoren spelen een rol. Dit duidt er op dat er nog verbetering mogelijk is in de klinische praktijk. Proefschrift Kelly de Ligt: Borstkankerzorg beter afstemmen op behoeften patiënt Er bestaat in Nederland aanzienlijke variatie tussen ziekenhuizen als het gaat om de behandeling voor patiënten met borstkanker. Voorbeelden zijn verschillen in timing van chemotherapie (voor of na de operatie) en variatie in het bespreken van de mogelijkheid van een (directe) borstreconstructie. Deze variatie is niet geheel te verklaren door ziektekenmerken. Kelly de Ligt (IKNL, Universiteit Twente) onderzocht voor haar proefschrift of deze variatie het gevolg is van individuele voorkeuren van de patiënt of aanwijzingen bevat voor verbetering van de kwaliteit van zorg? Met name de informatievoorziening en gedeelde besluitvorming is vatbaar voor verbetering om de borstkankerzorg beter aan te laten sluiten op de persoonlijke wensen en behoeften van patiënten. Symposium en inaugurele rede prof. dr. Sabine Siesling, 24 september 2015 In de kankerzorg wordt variatie gezien. Voor dezelfde aandoening kan de zorg in ziekenhuis A anders zijn dan in ziekenhuis B. De vraag is of dit ertoe doet. Beïnvloedt deze variatie de kwaliteit van zorg, het beloop van de ziekte, de overlevingskans, de kwaliteit van leven of de kosten die hiermee gemoeid zijn?  Prof. Lemmens en prof. Siesling aanvaarden bijzondere leerstoelen Prof. dr. Valery Lemmens (hoofd onderzoek bij IKNL) en prof. dr. Sabine Siesling (senior onderzoeker bij IKNL) bekleden ieder sinds dit jaar een bijzondere leerstoel. Prof. Lemmens sprak 5 juni zijn inaugurele rede uit bij de aanvaarding van de bijzondere leerstoel Kankersurveillance aan Erasmus MC in Rotterdam. Het accent ligt op verbetering van de kankerzorg in Nederland in samenwerking met zorgprofessionals in ziekenhuizen. Prof. Siesling sprak haar rede uit op 24 september. Als bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Twente (vakgroep Health Technology & Services Research) onderzoekt ze de effecten van variatie op de kwaliteit en uitkomsten van geleverde zorg.   EUROCOURSE: lessen voor en door Europese kankerregistraties Kankerregistraties vervullen sinds de jaren ’50 een belangrijke rol in Europa bij het beschrijven van de geografische variatie van de incidentie van kanker, vergelijkingen in de oncologische praktijk en preventieve interventies. In een publicatie in de European Journal of Cancer beschrijven emeritus hoogleraar prof. dr. Jan Willem Coebergh (IKNL) en collega’s de ontwikkelingen en trends die zich de afgelopen decennia hebben voorgedaan binnen de circa 160 kankerregistraties.   Rapportage endometriumcarcinoom: vergelijking ziekenhuisregio’s Door informatie over variatie in diagnostiek en behandelingen periodiek met elkaar te bespreken, kunnen we samen de kwaliteit van zorg voor vrouwen met gynaecologische kanker in Nederland verbeteren. Dit gebeurt onder andere met behulp van de regiorapportages endometriumcarcinoom. In deze regiorapportages wordt een overzicht gegeven van diagnoses en behandelingen met behulp van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). Op basis van deze regiorapportages heeft IKNL een landelijk rapport gemaakt. Dit rapport beschrijft de variatie in oncologische zorg voor patiënten met een endometriumcarcinoom van 2012 tot en met 2016 naar regio. Besluitvorming bij ouderen met dikkedarmkanker vergt specifieke kennis Medisch-oncologen die adjuvante chemotherapie voorschrijven aan oudere patiënten met stadium III dikkedarmkanker hanteren hierbij schema’s die in lijn liggen met de klinische richtlijnen. De variatie in motieven om bijvoorbeeld niet te verwijzen of niet te behandelen of een consult aan te vragen bij een geriater, duiden echter op een hoge mate van complexiteit rond de besluitvorming en onderstrepen de behoefte aan specifieke kennis. Volgens Felice van Erning (IKNL) en collega’s is het daarom belangrijk dat oudere patiënten, met of zonder comorbiditeit, worden verwezen naar een medisch-oncoloog en dat bij twijfel een geriater wordt geraadpleegd. Diagnoseziekenhuis beïnvloedt kans op krijgen behandeling slokdarmkanker Het ziekenhuis waar de diagnose ‘slokdarmkanker’ wordt gesteld, heeft invloed op de behandeling en uiteindelijke overlevingskansen van deze patiënten. Uit onderzoek van Margreet van Putten (IKNL) en collega’s blijkt namelijk dat er een aanzienlijke variatie bestaat tussen het ziekenhuis van diagnose en de kans dat patiënten met curabele slokdarmkanker worden doorverwezen voor een curatieve behandeling. Om deze verschillen te verkleinen adviseren de onderzoekers alle patiënten te bespreken in multidisciplinaire overlegteams in aanwezigheid van ervaren slokdarmkankerspecialisten. Landelijke kwaliteitsregistratie ProZIB: Prostaatkanker Zorg In Beeld De eerste resultaten van de landelijke kwaliteitsregistratie ProZIB laten zien dat directe behandeling van patiënten met laag-risico prostaatkanker bij de overgrote meerderheid van de patiënten wordt uitgesteld. Deze patiënten worden, zoals aanbevolen in de richtlijnen, actief gemonitord. De variatie in dit beleid tussen ziekenhuizen is beperkt. ProZIB is in 2015 gestart en zal medio 2019 afgesloten worden. Aanvullend op de basisgegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) zijn in ProZIB uitgebreide gegevens over diagnostiek, behandeling, ziekte-uitkomsten en door de patiënt ervaren uitkomsten van de zorg verzameld. Door het terugkoppelen van deze informatie naar medisch professionals wordt de zorg rondom prostaatkanker geëvalueerd en verder verbeterd.  Significant verschil intervaltijden radiotherapie na borstkankerchirurgie Het tijdsinterval tussen chirurgie en het krijgen van adjuvante radiotherapie vertoont significante verschillen bij patiënten met borstkanker die eerder een borstsparende operatie of mastectomie ondergingen. Het percentage patiënten dat 42 dagen of meer na een operatie startte met radiotherapie varieerde van 14 tot 94 procent. Dat blijkt uit een studie van Sukran Katik (master student Health Science; Universiteit Twente), begeleid door dr. Sabine Siesling (IKNL) en radiotherapeuten. Volgens de onderzoekers wordt de variatie waarschijnlijk veroorzaakt door de verwijsprocedure vanuit het ziekenhuis naar het radiotherapiecentrum. Dit inzicht biedt mogelijkheden voor verbetering op beide niveaus. Arts moet meer aandacht schenken aan comorbiditeiten kankerpatiënt Kankerpatiënten met bijkomende ziekten hebben vaker een lagere, gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven. Deze bijkomende ziekten verklaren meer van de variatie in fysiek en emotioneel functioneren, pijn en vermoeidheid in vergelijking met sociaal-demografische factoren en kanker karakteristieken, ongeacht het type kanker. Volgens onderzoeker Pauline Vissers, Integraal Kankercentrum Zuid (IKZ) en collega's moeten artsen zich meer bewust gaan worden van de invloed van comorbiditeiten op de kwaliteit van leven van deze patiënten.  Oudere leeftijd speelt grote rol bij krijgen palliatieve, systemische therapie Bij patiënten met dikkedarmkanker en metachrone metastasen (stadium IV) speelt een hoge leeftijd (vanaf 75 jaar) een belangrijke rol bij het wel of niet krijgen van palliatieve, systemische therapie. Zelfs bij oudere patiënten, geselecteerd voor het volgen van een gecombineerde therapie met CAPOX, wordt de behandeling in de praktijk vaak eerder gestaakt. Dat concluderen Lieke Razenberg (Catharina Ziekenhuis, IKNL) en collega’s in een population-based studie verschenen in Geriatric Oncology. De onderzoekers signaleren verder een aanzienlijke variatie tussen ziekenhuizen in het voorschrijven van palliatieve, systemische therapie, met name bij patiënten van 75 jaar of ouder. European Cancer Information System biedt inzicht in kankerlast in Europa De Joint Research Centre en de European Network of Cancer Registries hebben 5 februari 2018 een nieuw dataplatform gelanceerd voor het raadplegen en uitwisselen van statistische informatie over kanker in Europa, het European Cancer Information System (ECIS). Kanker lijkt op het eerste gezicht een ziekte die Europeanen willekeurig treft, maar in de praktijk is er grote variatie in de incidentie, sterfte en overleving van kanker.  Diagnoseziekenhuis beïnvloedt kans op behandeling slokdarm- & maagkanker In een recent artikel in het Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde stellen Margreet van Putten (IKNL) en collega’s dat de besluitvorming rond de behandeling van patiënten met slokdarm- of maagkanker in Nederland vatbaar is voor verbetering gelet op de geconstateerde variatie in diagnostiek en behandeling tussen ziekenhuizen en het effect hiervan op de overleving van deze patiënten. De auteurs pleiten daarom voor invoering van regionale, tumorspecifieke multidisciplinaire overlegteams. Dergelijke teams kunnen mogelijk bijdragen aan betere selectie van patiënten die in aanmerking komen voor een curatieve behandeling. Studie naar verschillen jonge en oudere mannen met prostaatkanker IKNL presenteert binnenkort een rapport, waarin specifiek aandacht wordt geschonken aan de variatie in zorg tussen jongere en ouderen patiënten met verschillende vormen van kanker. Prostaatkanker is één van de tumoren die in dit rapport aan de orde komt. In het kader van Movember worden in dit artikel alvast enkele uitkomsten gepresenteerd op basis van gegevens van de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) van mannen die in 2013 in Nederland zijn gediagnosticeerd met prostaatkanker. Proefschrift biedt inzicht in opties voor betere zorg bij gevorderde eierstokkanker In Nederland krijgen elk jaar circa 1.300 vrouwen de diagnose ‘eierstokkanker’. Hoewel de 5-jaarsoverleving van deze patiënten de afgelopen decennia is verbeterd, is de langetermijnoverleving helaas niet gestegen. Dat blijkt uit het proefschrift ‘Optimising patient selection to improve outcome in advanced ovarian cancer’, waarop Maite Timmermans vrijdag 30 augustus 2019 promoveert aan de Universiteit Maastricht. Daarin onderzocht ze allerlei factoren die mogelijk kunnen bijdragen of bijgedragen hebben aan verbetering van de uitkomsten van zorg, zoals centralisatie van chirurgie, ziekenhuisvolume, regionale variatie, prognostische factoren, behandelvolgorde, wachtperiode bij chemotherapie en optimalisering van patiëntenselectie. Aanzienlijke verschillen in kans op operatie bij maagkanker In Nederland wordt ieder jaar bij circa 1.450 mensen de diagnose ‘maagkanker’ gesteld. Steeds vaker vindt chirurgische behandeling van deze ziekte plaats in gespecialiseerde medische centra, na verwijzing door het ziekenhuis waar de oorspronkelijke diagnose is gesteld. Uit onderzoek van IKNL en chirurgen van het Catharina Ziekenhuis (Eindhoven), Antoni van Leeuwenhoek (Amsterdam), UMC Groningen en Erasmus MC (Rotterdam) blijkt dat er aanzienlijke verschillen zijn in het doorverwijzen van patiënten en de kans dat patiënten een operatie krijgen aangeboden. Een operatie geeft de enige kans op genezing van maagkanker. De variatie geeft aan dat momenteel bepaalde patiënten in Nederland de kans op genezing wordt onthouden, en dat de behandeling van maagkanker in Nederland vatbaar is voor verbetering. IKNL gaat in gesprek met de betrokken beroepsgroepen hoe dit het beste kan worden gerealiseerd.  Diagnoseziekenhuis bepaalt niet langer kans op operatie bij eierstokkanker Sinds de centralisatie van chirurgische zorg voor patiënten met gevorderd epitheliaal ovariumcarcinoom in 2012 is de chirurgische variatie tussen ziekenhuizen in Nederland verdwenen. Dat betekent dat de beslissing over wel of geen operatie niet langer afhankelijk is van het ziekenhuis waar de initiële diagnose is gesteld, maar vooral gebaseerd is op patiënt- en tumorkenmerken. Maite Timmermans (IKNL) en collega’s stellen vast dat sprake is van toegenomen bewustzijn over het belang van cytoreductieve chirurgie op de prognose van deze patiënten, ook in niet-chirurgische centra. Dit heeft er mede toe bijgedragen dat de uitkomsten van chirurgische behandeling en overleving van geopereerde vrouwen met epitheliaal ovariumcarcinoom in recente jaren is verbeterd. Proefschrift: overleving patiënten met slokdarm- en maagkanker toegenomen De overleving van patiënten met slokdarmkanker is de afgelopen 26 jaar aanzienlijk toegenomen. Waarschijnlijk is dit het gevolg van chemoradiotherapie voorafgaand aan de operatie, in combinatie met het concentreren van slokdarmkankeroperaties in gespecialiseerde ziekenhuizen. In recentere jaren is de overleving van patiënten met maagkanker eveneens verbeterd, zo blijkt uit het proefschrift dat Margreet van Putten (IKNL) 25 mei 2018 verdedigt aan de Erasmus Universiteit. De variatie tussen ziekenhuizen wat betreft behandeling en impact daarvan op de overleving blijft volgens de promovenda een aandachtspunt. Dit geeft aan dat de besluitvorming rondom de behandeling van patiënten met slokdarm- en maagkanker nog verder kan worden geoptimaliseerd.  Onderzoek De NKR data vormen een belangrijke bron voor wetenschappelijk onderzoek. In samenwerking met zorgprofessionals worden wetenschappelijke artikelen gepubliceerd over longkanker op basis van NKR data. Proefschrift over factoren die overleving darmkanker in Nederland beïnvloeden Dankzij nieuwe diagnostiek en behandelingen zijn de overlevingskansen van patiënten met dikkedarmkanker de afgelopen 25 jaar in Nederland verbeterd. Ook de verschillen in 5-jaarsoverleving tussen jongere en oudere patiënten, nadat zij het eerste jaar sinds de operatie hebben overleefd, zijn verdwenen. Dat concludeert IKNL-onderzoeker Amanda Bos in haar proefschrift ‘Real-world Aspects of Colorectal Cancer Survival in the Netherlands’. Daaruit blijkt verder dat meerdere darmtumoren bij diagnose en variatie in diverse demografische factoren (ziekenhuisvolume en tijdsinterval tot chemotherapie) van invloed kunnen zijn op de uitkomsten van behandeling op zowel korte als lange termijn.  Rapportages IKNL heeft de afgelopen jaren een aantal landelijke rapportages uitgebracht, waaronder een aantal rapporten 'Kankerzorg in beeld' en het KWF-signaleringsrapport 'Kwaliteit van kankerzorg in Nederland: voorgang en blik op de toekomst'. Deze rapporten geven inzicht in de trends en variatie van de kankerzorg in Nederland. Maar ook: waar liggen mogelijkheden voor verdere optimalisatie van de zorg. RegisTree: NKR goed voorbeeld voor kankerregistraties in Europa De RegisTree is een metaforisch model dat ontwikkeld is in het EUROCOURSE-project. In Europa zijn ongeveer 160 kankerregistraties die informatie leveren over de variatie in het risico op kanker en de overleving na de diagnose. De Nederlandse Kankerregistratie (NKR) is daar één van. Maar niet zomaar één. De NKR produceert de meest uiteenlopende kennis en is een voorbeeld voor veel Europese registraties. In dit artikel beschrijven prof. dr. Jan Willem Coebergh (emeritus hoogleraar kankersurveillance) en collega’s de schat aan mogelijkheden van een kankerregistratie, weergegeven als een boom met vele vruchten.